image

De zon roept mij naar buiten. Ik spring op de fiets en rijd in de richting van de Lepelaarplassen. Ik wil ze weer eens zien die lepelaars. Die bijzondere vogel die weer terug is uit het verre Afrika.

Eerst rij ik naar de hut om te kijken of ik nog een ijsvogeltje kan zien. Het is druk op het wandelpad naar de hut. Ik passeer de drukpratende wandelaars. Ze zijn vooral druk met zichzelf in plaats van de natuur om zich heen.

image

In de hut is het ook druk. De aanwezigen praten en schuifelen heen en weer over de houten bankjes. Het is een lawaai van jewelste. Ze beseffen waarschijnlijk niet dat als je zoveel herrie maakt, de vogels om je heen dan ook liever wegblijven.

De grootste bedreiging voor het ijsvogeltje zijn de vogelaars, las ik eens ergens. Het kan natuurlijk een gekscherende opmerking zijn van een gefrustreerde vogelaar, maar ik geloof het stiekem best wel. Ook hier in de hut met uitzicht op de plas is het druk en lawaaiig. Zo heeft geen vogel zin om zich te laten zien.

image

De grote camera waar iemand luid mee tikt op het kozijn waardoor de dikke lens naar buiten steekt. Het luide lawaai van de camera zelf als hij klikt. Of het geroffel van een vader die tegen zijn zoon dat hij daar moet kijken. Het helpt allemaal weinig om echt een vogel te zien.

Als tot overmaat van ramp een lawaaiig groepje binnenstapt, zijn de rapen gaar. Ik zie de laatste vogels verschrikt wegvliegen. ‘Is dat een ijsvogel?’ hoor ik iemand vragen. Nee, rund, denk ik. Die is hem allang gevlogen.

image

Gelukkig bezitten lawaaischoppers ook niet zoveel geduld. Daardoor loopt de hut sneller leeg dan ik had durven hopen. En als het rumoerige gezin verdwenen is, breekt het gouden moment aan.

Ik hoor het geluid nog wegsterven over het pad en daar is het. Eerst de luide schreeuw over het water en dan schiet het blauwe vogeltje er achteraan. De donderstraal. Net zo opgelaten als ik.

image