image

Ferdinand Huyck heeft in de Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck alle vertrouwen in de goede afloop van de voettocht van Amersfoort naar Naarden. Wat zou een rover aanmoeten met de armoedzaaier als hij die zelfs zijn degen en pistool voor zich uitgestuurd heeft.

Een plunje als de mijne was niet geschikt om eengigen struikroover in verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij op onze uitstapjes in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje gelaten, welke met de bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en meende tegen de gevaaren die ik van Amersfoort tot Naarden mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting met een dollen hond als de ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik over den rechterschouder droeg en waar aan een pakje bungelde, bestaande uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in een bonten doek te zamen geknoopt. (19)

Het valt ook allemaal best mee totdat hij in een herberg in Soest wel op een erg onaangenaam gezelschap stuit. De joodse kramer die hem een kurkentrekker uit zijn handeltje opdringt, is daarvan nog de minst erge. De ruzie die tussen Ferdinand en enkele gasten in de herberg ontstaat, is niet van de lucht. De messen en degens worden getrokken.

Alleen zijn afkomst redt hem en hij weet de kroeg uit te vluchten, niet wetende dat hij de belangrijkste personen verderop nog zal tegenkomen. Zelfs de hele roman zullen deze mensen hem blijven achtervolgen.

De route die Ferdinand hier maakt, lijkt zo uit het dagboek van 1823 te komen. Ook de jonge Van Lennep wandelt over een zonnige weg met bosjes erlangs over Soest naar Soestdijk. Verderop tussen Baarn en Eemnes worden Van Lennep en Van Hogendorp getroffen door een regenbui terwijl ze wandelen door het Overbosch en de prachtige buitenplaats Groeneveld.

Ferdinand Huyck wordt ook getroffen door een regenbui en schuilt in de koepel van de Guldenhof. Van Lennep zou het buitenverblijf De Guldenhof goed kunnen ontlenen aan Groeneveld. De jonge Huyck treft in het koepelgebouw bij de Guldenhof voor het eerst het meisje Henriëtte Blaek, een vriendin van zijn zus. De Heer Blaek aan wie het landgoed toebehoort is haar oom. De man heeft fortuin gemaakt, terwijl de vader van Henriëtte in armoede is gestorven.

Natuurlijk wordt het stel betrapt door de gemene zoon van de Heer Blaek, Lodewijk. Het brengt ze allebei in verlegenheid. Voor de roman is het slechts een ontwikkeling die de intriges en misverstanden alleen maar vergroot. Want misschien lijkt Ferdinand Huyck een slimme jongen, hij komt zeer sullig en onbenullig over in het verhaal.

In het bos nadat hij de Guldenhof verlaten heeft, wordt hij overvallen door rovers die hij eerder in de herberg van Soest wist te ontlopen. Daar wordt hij ook gered door de baron Van Lintz, die in de roman voortdurend terugkomt in alle mogelijke aliassen die je maar kunt bedenken.

In ruil voor de redding vraagt de man met de rode mantel, die zich Bos noemt, om zijn dochter naar Amsterdam over te brengen. Het brengt Ferdinand Huyck erg in verlegenheid, zeker ook omdat hij de zoon van de Hoofdschout van Amsterdam is en bovenal omdat hij verliefd is op Henriëtte Blaek die hij in de koepel van de Guldenhof tegenkwam.

Niet dat het verhaal nu heel sterk is. De ingewikkelde plot is zeker goed verzonnen. Van Lennep weet de spanning heel goed op te bouwen. Zeker aan het eind van elk hoofdstuk roept de opgebouwde spanning op om verder te lezen. Buiten de saaie en lange dialogen, weet Van Lennep bepaalde personages heel levendig neer te zetten. Zoals de Duitser Weinstübe en de onnozele verzendichter Helding.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.