image

De roman Ferdinand Huyck leest als een negentiende-eeuwse thriller met een hoog kluchtgehalte. De uitkomst is even verrassend als voorspelbaar. Daar ligt ook mijn grootste bezwaar van de roman van Jacob van Lennep. De ontknoping is een lang uitgestelde gebeurtenis, waar het eigenlijke verhaal traag doorheen meandert. Daarbij leest de meeste humor die de verteller bezigt als flauw en doorzichtig.

Neem het boottochtje dat Ferdinand met een flink gezelschap maakt, waaronder Lodewijk en Henriëtte Blaek. Het levert hilarische momenten op waarbij het schip in storm terechtkomt.

“‘t Is gedaan!” riep een stem uit ons midden.
Susanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen. Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotseling viel het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wioj hoorden het zeenat als grommende van rondsom wegloopen; – maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer. (286-7)

Op spektaculaire wijze is de boot over de dijk heengeslagen en op de helling aan de droge kant beland.

Buitengewoon grappig, maar niet zo diepzinnig als het veel minder spektaculaire boottochtje dat de Familie Stastok maakt in Hildebrandts Camera Obscura. Veel simpeler en minder spektaculair, maar door de beschreven situaties is het verhaal van Hildebrand (Nicolaas Beets) veel hilarischer en memorabeler dan de boottocht die Jacob van Lennep in Ferdinand Huyck beschrijft.

Maar dat drukt de pret niet aan boord van het schip van Lodewijk Blaek. De Duitser Weinstübe is onvindbaar:

“Ach lieber Gott! zum hülfe! Ich pin todt.”
“‘t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,” zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan de kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. (290-1)

Het boottochtje over de Zuiderzee steekt flauw af tegenover de grote ontsnapping aan het einde van de roman. Het tafereel verschuift naar Terschelling. Jacob van Lennep haalt alles uit de kast om de ontknoping tot een grootse gebeurtenis te laten worden. Hierbij benut hij de nodige kwinkslagen en weet alle personages in een magistraal slotakkoord te gieten.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.