image

Een avond, de schemering is al gevallen. Ik fiets onder een tunneltje door en hoor hem al fluiten. Nog voor ik het tunneltje onderduik zingt hij al vanuit de hoge bomen, verderop. Als ik weer omhoog klim komt hij echt duidelijk in het gehoorsveld. De auto’s brommen nog achter mij.

Maar hij is duidelijk te verstaan. De zwarte lijster is in gesprek met een andere, hoor ik. Die vogel lijkt weer aan de andere kant van de weg te zitten. Ze fluiten naar elkaar, toeven elkaar af en zingen de mooiste melodieën.

Zo fietsend onder die boom door denk ik aan de regels in Dantes Goddelijke komedie over de merel. In Canto 13 van de Louteringsberg spreekt hij over het zingen van de merel in januari. De vogel is volgens de volksverhalen heel somber in de winter, tot hij eind januari de dagen ziet lengen, het warmer voelt worden en zijn zang weer voelt opborrelen.

Volgens het volksgeloof zou de neerslachtige merel met de komst van het voorjaar zich weer tot God richten en zeggen dat hij niet meer bang is. Sapia, een dame uit Siena, spreekt in de tweede omgang bij de afgunstigen. Ze vertelt over de slag bij Colle waar haar stadgenoten slaags raakten met de Welven uit Florence. Ze spreekt na het bloedbad dezelfde woorden als de merel in de fabel:

‘Voor U heeft voortaan m’alle vrees begeven’,
Gelijk de merel in wat warmer dagen. (Rensburg, Canto 13, vs. 122-123)

Pas veel later verzoent Sapia zich met God en mag ze zich zelfs louteren op de Louteringsberg.

Nu is de donkere avond voor deze merel warm genoeg om zijn loflied te zingen. Ik geniet even en denk aan Dantes personage Sapia. Ze trekt een mooie vergelijking met deze bijzondere vogel. De overmoed is bijna hetzelfde, want wie zegt dat het zo warm blijft. Een te vroeg ingezet loflied?