image

Ik ben in de boekwinkel. Ja, voor de boekenweek. Het boekenweekgeschenk is nooit echt heel bijzonder en tóch ga ik altijd naar de boekwinkel in de boekenweek. Ik wil dat gratis boekje hebben. Het is uniek en het boekje geeft een beeld van een schrijver waar ik dan later vaak wat meer ga lezen.

Het begon allemaal met Leon de Winter. Ik zat op de 1-jarig Havo na een mislukt 3-jarig avontuur op de MTS. Ik was gek op lezen en wilde dolgraag schrijver worden. Tijdens de wiskundelessen had ik geschreven en geschreven op kleine kladblaadjes aan mijn roman.

Het verhaal speelde op het Domplein in Utrecht. Ik schreef door, dag en nacht en verspeelde zo mijn examens op de MTS. Ik kon aan het eind van dat jaar kiezen: of opnieuw of iets anders. Het werd iets anders: de 1-jarige Havo. De roman was klaar – de eerste versie althans – en ik durfde het nooit meer op te pakken. Bang dat ik opnieuw mijzelf zou verliezen in het verhaal.

De boekenweekgeschenken kwamen ervoor in de plaats. Ik kocht dan altijd boeken in de boekenweek. Meestal stelde ik de aanschaf van iets uit. Vaker nog stond ik weifelend in de boekwinkel. Wat moest ik in hemelsnaam kopen! Dan hikte ik tegen het aankoopbedrag aan.

Zo sta ik op de eerste dag van de boekenweek ook in de boekwinkel. Bij de afgeprijsde boeken staat nadrukkelijk dat je met een opruimingsboek géén boekenweekgeschenk krijgt. Bij de kassa wordt er ook nog eens bij vermeld dat een opruimingsboek niet wordt ingepakt.

Zo drentel ik langs de stapels boeken. Wat wordt het? Als ik dan Tas met as van Jelle Brandt Corstius in mijn hand houd, weet ik dat ik een goede beslissing heb genomen. Niet te duur om misschien later deze week nog een aankoop te doen voor een 2e boek. Dan kunnen we er meteen van met de trein op de laatste zondag van de boekenweek.

Een lange rij voor de kassa. Voor mij staat een lang, stevig meisje. Ze draagt een donkere jas en kijkt over iedereen heen. In haar handen houdt ze een stapeltje boeken vast.

Eindelijk is ze dan aan de beurt, rekent af en verlaat snel de rij. Ze loopt in de richting van een ander meisje, net als zij ergens in de 20. Trots houdt ze het boekenweekschenk omhoog. ‘Kijk ik heb een Broer. Het meisje vroeg of ik een Broer wilde. Ik heb alleen een zus, jij, maar nu heb ik ook een Broer.’

Iets later loop ik ook met een Broer in mijn handen de boekwinkel uit. Benieuwd naar het verhaal en of ik er iets in herken van de echte broer in mijn leven.