image

Naast de vaart over de Zeeuwse wateren voert de klipper Alfons Marie 1 ook door andere zeeën. Zo varen de eerste schippers langs de westkust van Nederland en over de Zuiderzee. Na de watersnoodramp in 1916 wordt de Zuiderzeewet in de kamer aangenomen. Dat betekent de afsluiting van de binnenzee.

Hoe onstuimig het op de Zuiderzee kon zijn, bewijst het verhaal in hoofdstuk 7 getiteld ´De vliegende zee´. Hier weet de schrijfster Corine Nijenhuis de roerige binnenzee treffend te omschrijven. Het verhaal maakt grote indruk, zeker ook omdat de verteller heel treffend de angsten van de schippersvrouw Huiberdina verwoordt.

Het is in de winter van 1923, schipper Jan Vermeulen vaart uit Amsterdam naar de Zuiderzee om een lading over te brengen naar Friesland. Hij bespreekt met zijn schippersknecht Marinus welke route ze zullen bevaren voor de oversteek. De semafoor in Enkhuizen geeft aan dat er een depressie op komst is, maar er is geen alarmering.

Tegen de waarschuwing van zijn vrouw Huiberdina, wagen ze de oversteek, maar komen in noodweer terecht. Hij weet nog op tijd het anker te laten zakken, maar het weer is zo onstuimig dat het anker losslaat. Nu zijn de rapen gaar. Het schip tolt stuurloos op de hoge golven van de Zuiderzee:

De storm het licht verzwolgen. De hemel was een deinende massa van vaalzwart en purper. Het leek al avond, hoewel de middag nog niet half gevorderd was. De wolken braakten water. Het vermengde met de stuivende zee tot een zoute nevel die de wereld nog dieper verduisterde. De klipper tolde op de golven. Nu wind en stroming vrij spel hadden, werd het schip heen en weer gesmeten alsof het wrakhout was. De gangboorden waren onzichtbaar, water kolkte over de luikenkap, het achterdek was spekglad. Toen Jan het stuurrad bereikt had, greep hij de lijn die bij de bolder lag, hij knoopte het om zijn middel en bond het andere eind aan de stuurkolom. Wijdbeens probeerde hij zijn evenwicht te hervinden, vechtend om het wiel onder controle te krijgen. (151/152)

Met hulp van zijn knecht weet hij het schip weer tot bedaren te krijgen. Het kleine lapje stormfok vooraan de klipper krijgt weer vat op het schip. Zo manoeuvreert Jan zijn zwaarbeladen schip door de storm over de Zuiderzee naar Friesland. Zijn vrouw Huibertina verschijnt aan dek, wit van angst en apathisch. Ze dreigt in zee te springen. Jan weet haar te redden en brengt haar in het leefgedeelte van de klipper, de roef.

Daar besluit Jan om het schip te verkopen aan zijn knecht. Martinus is dolgelukkig met de klipper en vaart voornamelijk over de Zeeuwse delta. Vooral in de peeëntijd weet hij de klipper uiterst handig te besturen en tussen de getijden door in te laden met suikerbieten. Zo begint het schip weer een nieuw leven met een nieuwe eigenaar en een nieuwe naam: Annigje.

Corine Nijenhuis: Een vrouw van staal, De buitengewone biografie van den binnenvaartschip.Amsterdam: Uitgeverij Brandt, 2015. ISBN: 978 94 92037 12 1. 400 pagina’s. Prijs: € 20. Bestel