De goddelijke vogel, zoals Dante de engel op de naderende boot noemt, wordt vergezeld met psalmgezang. De aanwezige zielen op de boot zingen psalm 114 waarin de psalmist God dankt dat het volk Israël bevrijd is uit Egypte.

De zielen stappen van het schip en werpen zich op het strand. De engel is even snel weer vertrokken als dat hij gekomen is. Zo staan Dante en Vergilius op het strand tussen al deze mensen. Ze vragen aan de aanwezigen hoe ze nu verder kunnen.

Daar ziet Dante ineens een bekende, de stadgenoot Casella, een muzikant. Casella vraagt de dichter waarom hij deze reis door het hiernamaals maakt. Dante vertelt hem dat hij dit doet om weer terug te keren. Dante vraagt op zijn beurt hoe hij er zolang over gedaan heeft voor hij hier gekomen is.

‘Geen onrecht is mij aangedaan: degene
die opneemt wie en ook wanneer hij wil,
heeft mij die overtocht meermaals geweigerd,

en die doet de gerechte wil van Hem!
Maar waarlijk, sinds drie maanden neemt hij vreedzaam
eenieder op die maar aan boord wil gaan. (vs 94-99, Brouwer)

In het antwoord komt het jubileumjaar 1300 naar voren. Door de stroom aan aflaten die vrijgekomen is, lijkt ook de goddelijke genade niet te stuiten. Overledenen krijgen nu de kans door te stromen naar de Louteringsberg.

Aflaten zouden alleen voor levende zielen gelden, hier weet Dante op subtiele wijze kritiek te geven op deze vorm van genade vanuit de kerk.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 2

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rob Brouwer uit 2001. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.