De 6e Canto opent met een mooie vergelijking. De verteller zegt dat de winnaar van het dobbelspel triomferend wegloopt, omringd door de verliezers. Zo voelt het voor hem ook als hij wegloopt van de 3 zielen die hij zojuist gesproken heeft. Bovendien volgen veel andere zielen hem nu ook.

Eindelijk weet hij zich los te maken van al deze wezens. In dit deel voor de poort van de Louteringsberg bevinden zich de zielen die gewelddadig om het leven zijn gekomen. Ook hier smeken de schimmen of Dante voor hun ziel wil bidden.

Dante vraagt Vergilius hoe hij dit ziet. Het werk van de klassieke dichter spreekt namelijk dit gebed tot God om de ziel te redden tegen. Het is een gewetensvraag. Vergilius antwoordt in zoveel bewoordingen dat in zijn tijd het gebed tot God niet mogelijk was. God was niet bereikbaar voor hem.

Nu is alles anders. Vergilius roept op hier niet te lang bij stil te staan en verwijst naar de verdere reis. Dante zal Beatrice verderop ontmoeten. Ze glimlacht hem nu al toe vanaf de hoge berg:

Tracht nochtans niet uw twijfel in te perken,
Zoolang niet zij de waarheid u doet weten
Die door haar licht al ‘t Ware u doet bemerken.

Zij, Beatrice, zal u welkom heeten
Waar lachende en gelukkig ze u zal groeten
Als wij de berg geheel hebben bemeten. (vs 43 – 48, Verwey)

Het geluk zit bovenin de berg. Bij elke stap omhoog bereikt Dante steeds meer inzicht in de wereld en de mens. Dit inzicht brengt hem uiteindelijk bij Beatrice die hem daar ook weer wijsheid schenkt. Vergilius noemt haar een verbindend licht tussen Dantes verstand en de waarheid.

Dat roept Dante op om weer verder te klimmen en zelfs tempo te maken.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 6

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Albert Verwey uit 1923. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.