In zijn roman Odyssee, Fernweh geeft Jan Cremer een indringend portret van de Tweede Wereldoorlog. Hij verliest in die periode niet alleen zijn vader, maar veel meer.

Zijn moeder, een Hongaarse dame van adel, lijkt ondanks haar huwelijk met Jan Cremer geen aanspraak te mogen maken op zijn bezittingen na haar mans overlijden. Aan het eind van de oorlog worden ze opgesloten in Kamp Scholten, als vermeende NSB’ers. De buren pikken alles in:

Toen we terug uit het kamp kwamen en waren leeggeroofd, liepen de kinderen van schoenmaker Nijhuis in mijn kleren, zijn vrouw in de jurken en jassen van mijn moeder, stonden delen van onze huisraad – de schemerlamp – in hun huis. (243)

Jan Cremer kan niet begrijpen dat je van naast buren kon pikken en het zonder schaamte open en bloot liet zien. Het verraad is groot en zijn moeder vergeeft het de buren nooit. Later maakt de slager aanspraak op het huis en raken ze van de ene op de andere dag dakloos. Het begin van een zwerftocht door de stad.

Het helpt zijn moeder niet om anders over haar overleden man en de Nederlanders te denken. Als Hongaarse van adel ziet ze de toestand waarin ze is terechtgekomen als een grote vernedering.

Als ze later de kans krijgt terug te keren naar haar geboorteland, ziet ze er op de laatste nipper vanaf. Het is opnieuw haar eer die haar tegenhoudt. Ze vindt dat ze als grande dame ontvangen moet worden.

Jan Cremer: Odyssee, Fernweh. 1e deel uit de Odyssee-cyclus. Amsterdam, Antwerpen: De Bezige Bij, 2016. ISBN: 978 90 234 9982 4. 288 pagina’s. Prijs: € 19,99. Bestel