Bovenaan de trap bevindt zich de 2e omgang van de Louteringsberg. Dante en zijn begeleider Vergilius komen in het gedeelte waar de afgunstigen zich louteren. Hier zien ze in eerste instantie niemand. De rotswand laat geen reliëfs en beelden zien zoals bij de eerste omgang. Hier zijn de rots en bodem kaal.

Vergilius laat zich door het licht leiden en voor ze er erg in hebben zijn ze al een mijl verder. Hier hoort het tweetal hoe de geesten hen door de lucht naderen. Ze zien niemand, maar stemmen nodigen de 2 uit om plaats te nemen achter de tafel van de liefde.

Volgens Vergilius kan de afgunst alleen met de liefde worden bestreden. En als Dante nog eens goed kijkt, ziet hij waarom hij de schimmen niet ziet. Ze dragen dezelfde loodkleurige gewaden als het omringende gesteente.

Als ze wat verder lopen komen ze schimmen tegen die Dante heel verdrietig maken van medelijden. Hij moet ervan huilen als hij de schimmen ziet. Ze dragen haren gewaden en hun ogen zijn dichtgenaaid met ijzerdraad.

De verteller vergelijkt ze met de dichtgebonden ogen van roofvogels door valkeniers.

Gelijk geen zonneglans tot blinden vare,
Kan ‘t hemellicht niet voor die schimmen gloren,
Van wie ‘k daar sprak. Want bij die gansche schare

Zag ik een ijzerdraad door ‘t ooglid boren
En ‘t sluiten – ‘t zelfde lot, zoo vol ellende,
Is wilden sperwers, die men temt, beschoren. (vs 67 – 72, Bohl)

De afgunstigen zijn hierdoor blind. Dante wil ze iets vragen, maar beseft dat als een klager eenmaal begint te klagen, het lang kan duren. Vergilius staat het toe, maar Dante moet het kort en bondig te houden.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 13

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van J. Bohl uit 1876-1884. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.