De ontmoeting met zijn landgenoten hier bij de afgunstigen mondt uit in een schimmige voorspelling. De profetie gaat over wolven en een woud waaruit Dante met bloed overdekt naar buiten komt. De schade die achterblijft zal zich in geen duizend jaar herstellen, voorspelt de rechter uit Ravenna. Het groen van weleer zal een dorre vlakte zijn.

De negativiteit van de brenger van het onheil zet zich ook uit over hemzelf en zijn metgezel. Ook hun families zullen eraan moeten geloven. Het stemt hem droevig en hij stuurt Dante en Vergilius weg. Hij wil niet meer verder vertellen. Het maakt hem alleen maar verdrietig.

Zo lopen de 2 dichters verder. Op de gok. Daar laat Dante zich afleiden door een stem die als een bliksem door de lucht schiet. Een mooie combinatie van zien en horen. De verteller begint hier met een treffende vergelijking van het onweer:

En toen we alleen weer samen verder togen,
kwam als een bliksemschicht, de lucht doorklievend,
een stem ons tegenvlieden, die ons zeide:
‘Alwie me vindt, zal ‘t leven mij benemen.’
Toen vlood de stem, wegrollend als de donder
wanneer opeens de wolken opensplijten.
En nauwlijks had ons oor weer tot rust bekomen,
of reeds een andre klonk met zulk gedaver,
dat ze op een slag geleek vlak na de bliksem:
‘Ik ben Aglaurus, die in rots verkeerde.’ (vs. 130 – 139, Christinus Kops)

De donder en de bliksem leiden Dante af. Vergilius legt rustig uit dat dit de strakke teugel is die de mens in bedwang moet houden. Hij wijst Dante erop dat hij nog een levend wezen is. Mensen bijten in het het aas dat de duivel voorschotelt. Het bezorgt de duivel alleen maar de mogelijkheid om de mens naar zich toe te trekken. Bovendien geeft het de duivel de kans om de mens te geselen en kastijden.

Gedichten rond Canto 14

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Christinus Kops uit 1929-1930. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.