Zoals Nederlandse nieuwsberichten altijd vermelden of er onder de slachtoffers Nederlanders zijn, zo vraagt Dante of er misschien Italianen onder hen zijn. En zeker, ook onder de afgunstigen in deze ring van de Louteringsberg, zitten Italianen. Zo raakt hij in gesprek met de zondige vrouw Sapía.

Ze heeft haar hele leven meer plezier gehad in andermans leed dan in haar eigen geluk, zegt ze tegen de schrijver. Haar naam mag dan iets als ‘wijs’ betekenen, ze gedraagt zich het tegenovergestelde.

Ze zit hier omdat ze overmoedig God dankte nadat de vijand was verslagen bij een veldslag. Ze behoort tot de partij van de Welfen. Haar vreugde was groot, maar ook bijzonder afgunstig naar de anderen. De vergelijking die ze maakt, is prachtig:

Ze werden daar verslagen en gedwongen
tot smadelijke vlucht; en bij dit vluchten
genoot ik afls ik nooit nog had genoten.
Brutaal sloeg ik mijn ogen naar de hemel
en krijste: ‘God, nu vrees ik je niet langer’,
als een bij ‘eerste vleugje zon de merel.
Aan ‘s levens einde wilde ik mij verzoenen
met God; en nog zou van mijn vele schulden
niets afbetaald zijn door mijn boetedoening (vs 118 – 126, Boeken)

Het was een beetje overmoedig, want in januari is het nog veel te koud om te gaan zingen voor een merel. Het laat zien dat zij te vroeg juichte, maar zich later met God verzoend heeft. Ondanks dat moet ze zich hier reinigen van haar afgunst, geholpen door de gebeden van de Pietro Pettinaio, een vrome Fransiscaan.

Daar biecht Dante tegen Sapia, dat hij zeker ook last heeft van zonden, maar niet zo zeer van de afgunst. Hij heeft veel meer last van de zonde uit de ring van de Louteringsberg waar hij net vandaan komt: de hoogmoed.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 13

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van H.J. Boeken uit 1907-1910. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.