In het 18e lied van de Louteringsberg vraagt Dante verder naar de verhandeling over de liefde waarmee Vergilius het 17e Canto afsloot. Er ontstaat een filosofische verhandeling waarin Vergilius Dante wijst op de relatie van de liefde met het verstand.

Het licht van Vergilius’ woorden helpen Dante om zijn inzicht te vergroten. Dat benadrukt dat de trektocht door de Louteringsberg ook Dantes ziel zuivert. Hier benadrukt Vergilius dat er ook veel van Dante zelf af hangt. De liefde komt weliswaar van buiten, maar het manifesteert zich in een mens als het leven in de groene bladeren van een plant.

Het is moeilijk door te dringen in de diepe vergelijkingen die Vergilius vervolgens trekt waarin hij ondermeer wijst op het instinct van de bijen om honing te maken. Het komt hierop neer dat de mens beschikt over een redelijk verstand (kracht) dat raad geeft en een drempel vormt tegen misstappen.

“Maar gij bezit, om aan die wil al de andere
toe te voegen, een kracht die raad geeft en moet
waken op de drempel van de toestemming.”
“Die kracht is dus de grondbron, waaruit de
verdienste in u ontspruit, naarmate dat zij goede
of boze liefde aanvaardt of afweert.”
“Zij nu die de dingen grondig onderzochten.
kenden ook de ingeboren vrijheid; aldus hebben
zij hun zedenleer de wereld nagelaten.”
“Laten wij dus onderstellen dat de liefde
die in u ontstaat, noodzakelijk begint:
gij hebt in u de macht die tegen te houden.” (vs 61 – 72, Haghebaert)

Hier wijst Vergilius op de vrije wil die de voor de mens zijn richting bepaalt. Het staat in prachtig contrast met de opening van de Goddelijke komedie waarin juist het lot een grote rol speelt. Hier laat Vergilius aan Dante zien dat de mens zelf ook over zijn lot beschikt. Het is de edele kracht van de rede, waar de Romeinse dichter op wijst.

Gedichten rond Canto 18

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van P.B. Haghebaert uit 1947. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.