Beetje vreemd als je 3 uur gefietst hebt, de spieren nog loeiheet zijn van de beweging. Eigenlijk had je wat meer moeten drinken onderweg. Je hoofd is nog knalrood en dan stap je een orgelconcert binnen. Luisteren, terwijl de wind van buiten nog in je oren suist, hoor de wind binnen. Dat is het concert van Toon Hagen in de Utrechtse Nicolaikerk.

Als ik mijn fiets op slot zet, begroet een vrouw mij vriendelijk. Ze vraagt of ik ook voor het concert kom. Ik knik. ‘Mooi hè?’ Ze geniet al met haar hele gezicht. Ik durf niet altijd zo vooringenomen een concert te beginnen, maar haar enthousiasme is aanstekelijk.

Eerst even acclimatiseren. Ik heb behoorlijke last van spierkramp, te fanatiek begonnen en niet genoeg gedronken. Maar ik ben wel op tijd en daar was het mij allemaal om te doen. Nu moet ik even op de blaren zitten, besef ik.

Toon Hagen begint met Johann Gottfried Walter (1684 – 1748) op het Sweelinckorgel. Wat een prachtig instrument is dit. Heel fijngevoelig en lichtvoetig. Best een grote dispositie voor zo’n instrument en wat een geluid. Je raakt er helemaal van vervuld. Het verveelt eigenlijk nooit.

De variatiereeks “Jesu, meine Freude” van Walter leent zich erg goed voor dit instrument. Toon Hagen kiest mooie, eenvoudige registraties en houdt het heel dicht bij de bron. Daardoor weet hij de spanning mooi op te bouwen en laat veel aspecten van dit bijzondere orgel horen. Al krijg ik na het horen van dit muziekstuk vooral behoefte om nog meer te willen horen.

De aanpak die Toon Hagen juist op het Sweelinckorgel kiest, subtiele registraties, verschuift hij naar bredere en vollere registraties op het hoofdorgel van Marcussen. Het instrument leent zich daar erg goed voor, ontdek ik. Het geeft de bekende muziekstukken van Bach een nieuwe glans.

Lees morgen het vervolg van mijn verslag over het concert van Toon Hagen op de orgels in de Utrechtse Nicolaikerk: Doorschuiven.