Dante en zijn reisbegeleider Vergilius komen hier in de 5e omgang op de Romeinse dichter Statius tegen. De schim heeft hier een lange straf uitgezeten en zijn ziel is zojuist gelouterd. Hierdoor is hij bevrijd van zijn straf.

De dichter vertelt snel zijn biografie. De verteller weet niet dat Statius helemaal niet in Frankrijk is geboren. Hij verwart hier de dichter met een rector uit Toulouse. Lastig schrijven, want uit later ontdekte werken blijkt dat Statius gewoon in Napels is geboren.

De dichter weet niet dat hij tegenover Vergilius staat. Hij geeft een brede loftuiting over het werk van Vergilius. Dagelijks begeleidt deze Romeinse held Statius. Zonder Vergilius zou hij niets anders tot stand hebben gebracht. Wat zou hij graag even met deze Romeinse held hebben doorgebracht.

Dante kan zich bijna niet bedwingen om het antwoord te geven aan Statius. Vergilius gebaart duidelijk dat Dante niks mag verraden. Hij voelt zich gevangene in de wil het te vertellen tegen Statius, maar hij wil zijn reisbegeleider niet afvallen.

De pestkop uit de Oudheid, zegt uiteindelijk dat Dante wel mag zeggen wat hij wil zeggen. Daar is de onthulling:

Nu ben ik aan de eene en de andere zijde gevangen:
De een beveelt mij te zwijgen, de andere bezweert mij
Dat ik spreke: waarom ik zucht, en word ik begrepen

Door mijn meester, en hij zei tot mij: “Wees niet
Bang te spreken; maar spreek, en zeg hem
Dat wat hij vraagt met zoo groot verlangen.” (vs 115 – 120; vert. Frederica Bremer)

Hij mag het zeggen en vertelt Statius dat de man die bij hen staat, Vergilius is. Hij is zo blij zijn held hier te ontmoeten, dat Statius vergeet dat hij een schim is en zich voor de voeten van zijn grote voorbeeld wil werpen.

Reeds boog hij zich om de voeten te omhelzen
Van mijn leermeester; maar die zei tot hem: “Broeder,
Doe het niet, want gij zijt een schim, en ziet een schim voor u.”

En hij opstaande: “Nu kunt gij de grootheid
Begrijpen van de liefde, die mij voor u verwarmt,
Wanneer ik onze vluchtigheid vergeet,

Schimmen behandelend als vaste lichamen.” (vs 130 – 136; vert. Frederica Bremer)

Een gevalletje van middeleeuwse humor dat op mij een beetje overkomt als een heuse dijenkletser. De bewondering van Statius voor Vergilius is zo groot dat hij helemaal vergeet dat hij al meer dan een half millennium een schim is.

Wel is het hier een prachtige lofzang op de dichter Vergilius. De dichter die de verteller zo mateloos bewondert en waarbij hij stiekem Statius gebruikt als spreekbuis om deze bewondering nog meer uit te drukken.

Gedichten rond Canto 21

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Frederica Bremer uit 1943. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.