Dante, Vergilius en Statius lopen nu samen op. Terwijl Dante staat te dromen bij de boom, haalt Vergilius hem weer bij de les. Kom opschieten, de tijd die ons rest is te kort om te dromen.

De dichter achtervolgt hem vaak met het nuttig besteden van de tijd. De reis door het hiernamaals is er een van haastige spoed. Er is weinig tijd om even weg te dromen en te staren in het groen.

Een groep uitgemergelde zielen passeert het schrijverstrio dat hier door de 6e omgang loopt. De vergelijking die Vergilius maakt in zijn antwoord aan Dante is mooi:

“O lieve vader, wat is het dat ik hoor?”
Begon ik. En hij: “Misschien schimmen, die
Rondgaan, den knoop van hun schuld losmakend (vs 13 – 15; vert. Bremer)

Het zijn zielen die de knoop van hun zonden proberen te ontwarren, stelt Vergilius tegenover Dante. De schimmen zingen een tekst uit psalm 51. In deze boetepsalm smeekt de zanger of God zijn lippen wil openen om Hem de lof toe te zingen.

Hier merkt de verteller eveneens op dat de zielen niet eens in de gaten hebben dat ze langslopen. Al voorbijgaand, kijken ze wandelend naar het drietal dichters om.

Evenals peinzende pelgrims doen,
Die opweg onbekende menschen inhalen,
En zich naar hen omwenden en niet blijven staan.

Zóó, achter ons aan, zich sneller bewegend,
Komend en voorbijgaand, nam met verwondering op
Een groep van zielen, zwijgend en devoot (vs 16 – 21; vert. Bremer)

Ze zijn uitgemergeld en met open mond kijken ze de dichters na. Hun gezichten zien er uit als ‘omo’, waarbij de m heel duidelijk zichtbaar is. Het duidt op het Latijnse woord voor mens.

Het is op deze plek dat Dante een vriend ziet. Forese uit Florence.

Gedichten rond Canto 23

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Frederica Bremer uit 1943. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.