De 2 begeleiders Statius en Vergilius klimmen samen met Dante door de smalle spleet tussen de rotsen omhoog naar de 7e omgang van de Louteringsberg. Hier houden zich de zielen van de wellustigen zich op.

De mannen lopen achter elkaar de trap op naar boven. Ze hebben het besef dat ze moeten opschieten, daarom gaan ze maar omhoog in de duisternis. Er is geen ruimte om naast elkaar te lopen, merkt de verteller op. Daarvoor is de spleet te smal.

Dante popelt ondertussen om iets te gaan zeggen. De vergelijking die de verteller maakt met zijn verlangen om iets te gaan zeggen en het toch niet doen, is prachtig:

Gelijk het jong van d’ ooyevaar de vleugelen
Uit lust tot vliegen uitslaat, maar ‘t niet waagt
Het nest te ontsnappen en ze dus weêr intrekt:

Zoo was ook ik. De lust tot vragen gloeide
En kwijnde beurtlings, tot ik eindlijk toonde
‘t Gebaar van hem die tot spreken schikt.

Hoe snel in ‘t gaan, mijn liefdrijk Vader liet
Niet van mij af maar sprak: “Trekt af de boog
Der rede, tot het ijzer reeds gespannen.” – (vs 10 – 18; vert. A.S. Kok)

De verteller vergelijkt het met het ooievaarsjong dat zijn vleugels wil uitslaan, maar het toch niet doet. Tot uiteindelijk het moment is aangebroken dat Vergilius, die alles ziet, opmerkt dat Dante wel zijn vraag mag stellen.

De vraag die op zijn lippen brandt, is: hoe bestaat het dat op deze plek waar elke behoefte aan eten ontbreekt, mensen toch broodmager zijn? Immers de zielen die hier ronddolen zijn niet stoffelijk, dan hebben ze ook geen eten nodig om te overleven.

Voor Vergilius is het de gelegenheid om Statius een lange verhandeling te laten geven. Dat begint bij de voortplanting, waarbij het bloed van de man verandert in sperma dat afdaalt naar plekken waar je beter over kunt zwijgen.

Gedichten rond Canto 24

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van A.S. Kok uit 1863-1864. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.