In Victor Hugo’s roman De klokkenluider van de Notre-Dame is de kathedraal een afspiegeling van de misvormde Quasimodo. De kerk die als een jas gegoten om Quasimodo past.

De beschrijving die de verteller geeft, laat dat ook zien. De kerk beweegt ook mee in de emoties van de klokkenluider. Er is een interactie tussen de Notre-Dame en Quasimodo:

Tussen hem en de kerk bestond zo’n diepe, instinctieve sympathie, zoveel magnetische aantrekkingskracht, zoveel stoffelijke verwantschap, dat hij er in zekere zin mee verbonden was als de schilpad met zijn schild. De kathedraal was zijn schild. (170)

Net als zijn geest, is het gebouw kronkelig en grillig. Donker en onrekenbaar. Niet te vatten en geheimzinnig. Het verhaal van de klokkenluider is daarmee prachtig verwoord in het gebouw. De kathedraal is niet in te nemen en Quasimodo gebruikt het gebouw als zijn schild. Om zich te beschermen tegen de harde buitenwereld.

Juist de organisch gevormde kathedraal waar veel bouwmeesters na elkaar hebben gewerkt, vormt de unieke bescherming voor de buitenwereld. Hier ziet ook de schoonheid in verborgen. De mooiste mens in deze roman van Victor Hugo is de misvormde mens Quasimodo. Het is de laatste persoon waar je bang voor zou moeten zijn. Hij vecht tegen onrecht en volgt zijn hart.

Victor Hugo: De klokkenluider van de Notre-Dame. Oorspronkelijke titel: Notre-Dame de Paris [1832]. Vertaald door Willem Oorthuizen met een nawoord van Jan van Aken. Amsterdam: Atheneum – Polak & Van Gennep, 2011. ISBN 978 90 253 6872 2. 576 pagina’s. Prijs: € 35.Bestel