Met Matelda aan de andere kant van de oever loopt de verteller Dante mee met de loop van de rivier. Ze zingt hem toe met woorden uit psalm 32, een verwijzing naar de rivier de Lethe waar Dante nu langs de oever loopt.

Hij moet kleine stappen zetten om haar bij te kunnen houden en dan zegt Matelda dat hij moet opletten. Er begint een soort hemelse voorstelling voor Dante dat opent met een fel licht. Het lijkt op de bliksem, maar het verdwijnt niet, schrijft de verteller.

De verwijzing die Dante hier doet naar Eva, klinkt als een verwijt. Als Eva niet naar de kennis van de boom had verlangd en van de vrucht had gegeten, dan zou ik dit tafereel langer hebben kunnen zien. Nu moet hij weer verder.

Het zoete geluid dat Dante hoorde bij het aantreden van het licht, blijken gezangen te zijn. Hij hoort het geluid steeds duidelijker. Ze lopen verder en dan doemen er 7 bomen van goud op in de verte. Als de verteller nog eens kijkt ziet hij dat het geen bomen zijn, maar kandelaren die hem naderen:

Maar, toen ik zoo dicht bij ze was gekomen,
Dat de overeenkomst in vorm, die het zintuig bedriegt,
Niets meer door afstand van zijn waren vorm verloor,

Onderscheidde de kracht, die onze rede voedsel aanbrengt,
Ze als kandelaren, gelijk ze waren,
En, in de stemmen van het zingen: “Hosannah.”

Van boven vlamde dit prachtig gerei
Veel helderder dan de maan bij helderen hemel
Te middernacht in het midden van haar maand. (vs 46 – 54; vert. Bremer)

De stemmen zingen Hosanna en Dante kijkt gebiologeerd naar het tafereel. Als hij omkijkt, ziet hij dat zijn begeleider Vergilius net zo verwonderd kijkt naar het licht en de vlammen die uit de kandelaren komen. Langzaam komen de vlammende lichttoorsen in hun richting.

Gedichten rond Canto 29

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rob Brouwer uit 2001. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.