Een bijna organisch gegroeid bouwwerk als een gotische kathedraal lijkt wel op tovenarij. Ook de verteller in Victor Hugo’s roman De klokkenluider van de Notre-Dame benoemt dit.

Als buitenstaanders de kerk proberen binnen te dringen, verzuchten ze het ook dat de bouwmeester van deze kerk, Guillaume de Paris, een tovenaar was. Het beeld van de bouwmeester als tovenaar, verlegt de associatie met de geheimzinnigheid die er rond de gotische bouwmeesters is.

Het ontstaan van de vrijmetselarij, waar ceremonie, geheimzinnigheid en bovennatuurlijke krachten, meespelen. Een beeld dat onverwoestbaar is en dat Umberto Eco bijvoorbeeld benoemd in zijn roman De slinger van Foucault.

De Notre-Dame als bouwwerk tussen de oude manier van bouwen naar de nieuwe, gotische vorm. Een revolutie:

Het is een bouwwerk uit de overgangstijd. De Saksische architect had juist de eerste pilaren van het middenschip neergezet, toen de van de kruistochten meegebrachte spitsboog triomfantelijk kwam neerstrijken op de brede, romaanse kapitelen die alleen voor rondbogen bestemd waren. De spitsboog, voortaan heer en meester, heeft de rest van de kerk bepaald. Aanvankelijk nog onervaren en schuchter, blijft hij ruim en breed, houdt zich in en waagt zich nog niet aan de ranke pinakels en lancetten die schitterende latere kathedralen kenmerken. Het lijkt wel of de nabijheid van de zware romaanse zuilen hem imponeert. (128)

Het gebouw drukt de geheimzinnigheid van de bouwmeesters uit. Ze hebben de geheimen meegenomen uit het oosten, mogelijk zijn de bouwkundige geheimen ontrafeld van de tempel die Salomo liet bouwen in Jeruzalem.

Hiermee is het bouwwerk niet alleen een ode aan de moeder Gods, maar ook aan de overwinning op de natuurkrachten. Hier scheppen de bouwmeesters een gebouw dat vecht met de elementen. Het koude steen, vervormt in deze roman tot een levend wezen. Iets dat de hedendaagse gebouwen nooit zullen bereiken, stelt de verteller.

Victor Hugo: De klokkenluider van de Notre-Dame. Oorspronkelijke titel: Notre-Dame de Paris [1832]. Vertaald door Willem Oorthuizen met een nawoord van Jan van Aken. Amsterdam: Atheneum – Polak & Van Gennep, 2011. ISBN 978 90 253 6872 2. 576 pagina’s. Prijs: € 35.Bestel