Ik moet in Dronten zijn en loop van het station naar mijn afspraak. Het is een bijzonder wijkje waar doorheen ik wandel. De huizen komen uit de jaren ’70, dezelfde kozijnen en gevelplaten als de buurt waarin ik opgegroeid ben. De huizen lijnrecht tegenover elkaar. Als je goed kijkt, kun je zo zien wat je buurman of buurvrouw aan het doen is aan de overkant.

Ik kijk ook naar binnen. Donkere huizen in de voorjaarszon. De kou en het lage licht helpen niet om goed naar binnen te kijken. Mijn ogen hollen achter het licht aan.

ALs ik goed kijk, zie ik bierflesjes op tafel en in de vensterbank staan. Een kerstboom nog opgetuigd, meteen achter het raam, terwijl kerst meer dan een maand voorbij is branden de lampjes nog in de woonkamer. Een huis verderop ook een kerstboom, maar hier alleen de rode slingers in de boom. De ramen zijn vuil, er hangt een zweem van vettigheid die alles wat binnen staat donkerder maakt en lichtjes vervormt.

Bij de buren zijn de gordijnen half dicht. Een groepje jongens drinkt biertjes. Bij het raam zwaait een jongen als ik langsloop. Hij gooit een pijlje in de richting van de muur. En nog 1 en nog 1.

De treurigheid van zo’n buurt. Kansloos. Al in de vroege ochtend aan het bier. Een slinger hangt voor het raam van een ander huis. De lucht is uit de 11 gelopen die in het midden staat. De ramen vervormen alles door de viezigheid op het glas.

Zo is de dag al vervormd voordat de avond begonnen is. De ijzige stilte doet de rest. Af en toe loopt iemand over het fietspad waar ik nu terechtkom. De koude wind en de lege straat houden de kaken stijf op elkaar. Op zoek naar geluk in Dronten.