Maandagochtend. Ik sta op het punt om naar mijn werk te gaan. De deurbel. Wie zou er nu aan de deur staan, vraag ik mij af. Een bestelling van iets? Waarschijnlijk is het een onverlaat die de weg niet kan vinden en bij het eerste het beste roze huisje aanbelt.

Ik open de deur en kijk in de ogen van de schuurtjesbouwer die een week eerder mijn gebouwde platje afwees. Te scheef om een schuur op te zetten. Wat ben ik boos geweest en vooral teleurgesteld. Dat ik geen stoep voor een schuur kan neerzetten. Ik was er zo trots op.

We hebben een stratenmaker laten komen die de tegels nu heeft neergelegd voor de schuur. Ze liggen naar mijn bevoordeelde timmermansoog, precies zo als ik ze heb neergelegd. Een band als stut zodat het schuurtje niet kan verzakken. Ook wat breder gemaakt dan ik in eerste instantie had gedaan. Zo valt het allemaal wat positiever uit en zouden de werklui niks te klagen meer hebben.

Ik ben verbaasd dat hij nu voor mijn neus staat. De man waarover ik tegen Inge had gezegd. ‘Los jij het maar op. Ik ga het niet meer doen. Als hij het nog eens afkeurt, doe ik hem wat aan.’ En nu staat deze man voor de deur, die ik net heb opgedaan. Het begint net een beetje licht te worden, maar gaat ook regenen. ‘Jullie zouden toch volgende week komen?’ vraag ik. ‘Nee, hoor deze week’, zijn accent verraadt dat hij uit Enschede komt.

Ik kijk verbaasd terug. ‘Ik dacht volgende week. Maar wacht maar even. Ik ga even kijken wat ik kan doen.’ Hij pakt zijn mobiel om het kantoor te bellen en gebaart. Al bellend heeft hij het antwoord. ‘Het hoofdkantoor zegt het ook.’ Ik vind het allang prima en wijs naar het platje, maar het regent te hard. ‘Wil je een kop koffie?’ vraag ik. Ze gaan even in de auto zitten om te schuilen.

Hij kijkt niet eens naar het platje als ik het hem even later aanwijs. Loopt al naar het pakket met hout waarin de onderdelen van het schuurtje zitten. Zijn hulpje staat in de startblokken. Klaar om de stukken hout als een legopakketje op te gaan bouwen. Ik moet hoognodig weg, maar Inge kan nog even. Mocht het nodig zijn, dan keer ik in de middag terug.

Het hoeft niet. Wel blijkt de schuur kleiner dan ik in mijn hoofd had. We hebben hem besteld, zegt Inge met de rekening in de hand. Een stuk kleiner is hij. Maar hij staat overeind met stormankers. Hopelijk houdt het houten schuurtje het als het flink gaat waaien.

Ze hebben een gigantische bende achtergelaten. Overal liggen stukken hout, schroeven, bouwplastic en andere gebruikte materialen. Blijkbaar kun je ze niet zomaar laten gaan, maar moet je ze intensief op hun neus zitten.

Als ik dan vertel aan anderen dat het schuurtje staat en foto’s laat zien. Is iedereen erg enthousiast. Wat een mooi schuurtje. Ik zie het nog niet zo, maar de bestemming is bereikt. Er staat een schuur. Nu snel stroom en spullen erin, dan kan de container begin volgend jaar weg.